M

Column – Drie inleidingen bij de kerkentour Alblasserdam

Ries van der Zouwen

Afgelopen  zaterdag 24 september 2016 vond de kerkentour plaats

schermafbeelding-2016-09-30-om-14-50-01© Ries van der Zouwen, em. dominee van de Wilheminakerk Dordrecht

Initiatief van de gemeente Alblasserdam, i.s.m. Bachfestival Dordrecht & Drechtsteden 2016

We zitten er klaar voor

Ik ben samen met mijn lief voor de eerste keer in de Thomaskirche in Leipzig. De kerk van Bach, die als een visionair in brons gegoten voor de kerk staat. Niets vermoedend over de ophef rond zijn muziek, de cd’s die over de hele wereld van zijn vruchten zijn gemaakt, het gekonkel over uitvoeringspraktijken en het Bachfestival.

We zitten recht voor de preekstoel, dat is nu eenmaal een plek die als een magneet aan een predikant trekt. De plaats tegenover waar het Woord elke zondag en op alle kerkelijke feestdagen klinkt.

Je moet er een beetje voor omhoog kijken om de predikant te zien. Het lijkt je nederigheid te onderstrepen.

We zitten recht voor de preekstoel, maar eerlijk gezegd komen we eigenlijk voor het orgel. Het orgel, zo verbonden met Bach, dat haar klanken zal uitstrooien in de kerkruimte.

Of beter nog: het orgel dat de ruimte en die daar in zijn zal strelen. Strelend aanwezig zal zijn: de wanden gebruikt als akoestische handlangers om terecht te komen in de harten van mensen.

Met strelende voorzichtigheid, en vastberaden doortastendheid is er opeens het geluid van het orgel. Het blazen van de wind, het aanspreken van de pijpen, het rammeltje van de mechaniek.

We geven elkaar een kneepje in de handen en een vergenoegde glimlach. Kijk ons nu hier zitten in Bachs kerk, en we kijken op hetzelfde moment naar het graf van de grote meester voor in de kerk, en weten van elkaar dat we beiden hopen dat hij opstaat en misschien daarna met de wat verstramde vingers van zoveel jaren doodse stilte het klavier gaat toucheren.

Bijzonder he, zeggen we als we weer buiten staan. Zo’n kerk is een kerk, zoals vele kerken. Maar toch beleven we het als een heilige plaats, waar de muren vertellen van de aanraking door de muziek, waar de tegels op de vloer vele generaties hebben gedragen, waar de ruimte bewierookt is door de muziek en … waar het bij het stoppen van het orgel zo intens stil is. De stilte van de verzadiging die al snel plaats maakt voor de honger naar meer Bach.

Ik dacht het orgelstuk te kennen, maar de ruimte veranderde het stuk, of was het andersom, was het misschien zo dat de muziek de ruimte veranderde. Dat de muziek de ruimte haar zin gaf, haar functie als heilige plaats. De plaats waar de hemel de aarde raakt. De plaats waar je los van de zwaartekracht van het bestaan van alle dag opgetild wordt. De plaats waar je samenvalt met wie je bent. De plaats voorbij de vragen, alleen maar ‘ zijn’ . Moment van diepe verinnerlijking.

De ruimte maakt Bach en Bach maakt de ruimte. Bach maakt ruimte om je heen en in jezelf.

Later die week hoorden we zijn muziek op een gammele piano op het perron van een spoorwegstation. We knepen elkaar weer in de hand. Bach geeft zichzelf de ruimte en laat zich nergens in opsluiten. En de ruimte geeft Bach de ruimte.

De jonge man speelde wat onbeholpen een fuga van de meester. Maar toch hield iedereen zijn adem in en zelfs de trein zorgde er voor niet op tijd te zijn.

 


 

Bach als meester van de nivellering (ofwel: wat blijft er van Bach over als je aan het studeren bent als 10 jarig jongetje)

Toen ik 10 jaar was kreeg ik de sleutel van de dorpskerk, voor mij de plaats waar ik elke zondag met mijn vader, moeder en broers act de presence gaf, soms meezong, wat meedeinde op het ritme, tegen de schouder van mijn vader de rol pepermunt opat en … waar ik ademloos naar het orgel tuurde.

Het orgel torende op de gaanderij boven alles uit, als een God die boven zijn gemeente wakend aanwezig is en voor het geval hij iets wilde zeggen: de Spaanse trompetten al had klaarhangen.

Het orgel dat ik ooit wilde spelen.

Toen was daar het moment dat ik met de kerksleutels naar de kerk fietste. In de plaatselijke malle pietje had ik een leren sleutelmapje gekocht, rood natuurlijk. Zelf had ik er met viltstiften een notenbalk op getekend, met een spaanse trompet.

Na een jaar mocht ik zonder begeleiding op een doordeweekse dag 2 uur per week op het orgel spelen, oefenen.

De eerste keer.

Sleutel in het sleutelgat, de deur ging open, ik was verrast, gespannen. Liep het halletje aan de zijkant door en opende de kerkzaaldeur.

En wist niet hoe snel ik boven moest komen.

De volgende sleutel die de hemelse klanken voor me zou ontsluiten. Het aanblazen van de wind, de kraak van de orgelbank. De zwarte en witten toetsen, de dubbele rijen registers.

Daar zat ik dan, ingeklemd tussen het hoofd- en rugwerk, als het schamele beleg van een sandwich met ongelijke delen.

Het boek dan maar open, de kleine preluden en fugen. Vingerzetting bijschrijven, uit de bocht vliegen, veel te veel registers open, alleen maar noten produceren, geen visie of interpretatie.

En toch, ondanks al dat feilen en falen, de aandoenlijke toewijding en het gebrekkige spel…toch was daar… ja wat was daar.

Een geheim. Een geheim, dat een andere werkelijkheid aankondigde door te spreken in klank. Een andere werkelijkheid, die ik had ervaren als ik naast mijn vader in de kerk zat en hij de ogen sloot bij het gebed en hem even anders deed zijn dan die hardwerkende man van no-nonsense.

Was er toen al het besef dat er achter elke werkelijkheid vele andere schuilgaan?! Was er toen al het vermoeden, dat je in het leven dieper kunt afsteken dan de oppervlakte van de grijpbaarheid? Opent ‘kunst’ een deur, die ons toegang geeft naar de achterkant van alledag?’

Niet dat ik al dit soort woorden en beelden had in die tijd. Maar toch… er was die wonderlijke ervaring van gegrepen zijn, het-mooi-vinden, geboeid zijn, en ongewild er toe getrokken worden.

Pas veel later binnen het kader van mijn theologie studie, lezend over esthetische ervaringen, vond ik woorden voor mijn ervaringen met muziek en schilderkunst. En kwam er het begrip, dat het alles te maken heeft met ontvankelijkheid, een afwezig zijn van vooringenomenheid, waardoor de werkelijkheid aan jou geheimen onthult, zonder dat je er bewust naar vraagt.

“Er lag iets klaar waarvan ik niet wist dat het klaar lag, er was een verlangen dat ik leerde kennen door vervulling”, zegt Kopland.

 


 

 

Over Bachs overtuiging is al veel gesproken en geschreven

Zijn doorzettingsvermogen, maar vooral zijn levensinstelling.

Vaak wordt daarbij zijn geloofsleven genoemd. Hij staat dan te boek als een overtuigd Lutheraan in een piëtistische setting. Overtuigd van de grote dogma’s van de kerk, de grootheid van zijn God en van de overwinning in Christus op de dood.

Geloofsuitspraken, haast in onbuigzaam roestvrij staal gegoten.

Maar zo roestvrij zijn die uitspraken de laatste eeuw niet gebleken, en van staal bleek het geloof der vaderen niet te zijn.

God moest wijken, vanaf Nietzsche en de een na de ander verklaarden hem dood. En daarmee kreeg ook zijn zoon, de man van Nazareth, een humanistisch bijrolletje in het moderne denken en de kerk, ja de kerk ging mee met haar tijd of verschool zich in de niche van traditionalisme.

Maar als je Bachs muziek hoort, en zijn aantekeningen in zijn bijbel leest, dan is het maar de vraag hoe roestvrij hij zelf zijn geloof ervoer en hoe zijn overtuigingen gestaald werden.

Natuurlijk, en ik neem zijn Johannes Passion als voorbeeld, is er sprake van een soort van grondtoon.

Die hoor je al in het beginkoor in de bas. Als een nooit veranderende betrouwbare nabijheid klinken de bassen en cellisten in een door achtsten aangezette orgeltoon. Alsof ze willen uitspreken: hier moet je op rusten, dit is de basis.

En de basis die horen eerst al in de eerste drie tonen: de es, de d en de g, Bach zet in met: Soli Deo Gloria. Een basis die later door het koor wordt uitgezongen in haar Herr, unser Herrscher. Het is tenslotte de Johannes Passie, waarin Christus geen lijdende is, maar de regisseur, die het allemaal van te voren weet en in de hand heeft.

Een basis die terugkomt in het slotkoor en koraal, waar het ruht wohl klinkt en de dode is gaan liggen om weer op te staan om bij zijn God te zijn.

Begin en eind getuigen van vaste punten, betrouwbaarheid, een zekere gerustheid.

Toch roestvrij staal.

Nou niet helemaal. Van alles te zeggen over de onrust in het beginkoor zelf. Maar net als bij de fuga’s bij de sonates gebeurt er tussen begin- en eindpunt, tussen tonica, dominant en weer tonica van alles.

 

De tonen vertellen een verhaal van onrust, vriendschap, verraad. De noten schilderen ontmoeting en verwijdering, verzoening en botsing. De harmonieën verklanken de heiligheid en schijnheiligheid, de onstuimigheid en berusting van het leven.

Kortom, tussen begin en eind wordt er een verhaal vertelt, het verhaal van het leven van ieder mens. Het verhaal van de sprong van elke dag, in het vertrouwen dat het geen sprong in het duister is, in de diepte is. De mens als een trapeze artiest in het circus van het leven.

In een van zijn laatste boeken, Met de dood voor ogen, haalt Nouwen een gesprek aan wat hij op een gegeven moment had met Rodleigh, de leider van de trapezewerkers:

“Jij denkt misschien, net als de meeste toeschouwers, dat ik de grote ster ben van de trapeze. Maar de echte ster is Joe, die me vangt. Hij moet me op het exacte moment uit de lucht plukken als ik mijn verre sprong naar hem maak”. “Hoe lukt dat?” vroeg ik. “Wel”, zei Rodleigh, “het geheim is dat ik het vangen geheel aan Joe overlaat en zelf niets doe. Als ik na mijn salto’s op Joe afkom, moet ik gewoon mijn armen en handen uitstrekken en wachten tot hij me vangt. “Dus jij doet niets!” zei ik verbaasd. “Niets”, herhaalde Rodleigh. “Het ergste wat een springer kan doen is proberen de vanger te vangen. Als ik Joe’s polsen zou vastgrijpen, zou ik ze kunnen breken, of hij zou de mijne kunnen breken. Dat zou het einde zijn voor ons beiden. Een springer moet springen en een vanger vangen, en de springer moet met uitgestrekte armen en open handen erop vertrouwen dat zijn vanger er zal zijn”.

Wat een prachtig beeld over loslaten en overgave aan God!

Nouwen geeft ons een gedachte mee waar we de rest van ons leven op kunnen terugvallen:

Om dingen te kunnen wagen, om vrij te zijn, in de lucht, in het leven, moeten we weten dat er een Vanger is. We moeten weten dat we, wanneer we van alles terugkomen, opgevangen zullen worden, dat we veilig zullen zijn…

Joe, of Johann helpen ons het te wagen.